Nieuws | 5 juli 2016

Op zoek naar epilepsiemarker

Maastrichts onderzoek is belangrijke stap op weg naar het accurater traceren van de bron van slaapkwab-epilepsie

Markers vinden voor het preciezer in beeld brengen van het gebied in de hersenen waar epilepsie ontstaat, zodat een hersenoperatie bij ernstige vormen van epilepsie die niet met medicijnen te behandelen zijn, nog accurater kan worden uitgevoerd. Dat is de opdracht die Olaf Schijns, neurochirurg van het Maastricht UMC+, zich heeft gesteld in zijn promotieonderzoek. 

Epilepsie komt in tal van ondersoorten voor. Een van die ondersoorten is de zogenoemde slaapkwab-epilepsie. Bij patiënten met die vorm van epilepsie is een bepaald type eiwit (GABA-transporter) in geringere mate aanwezig in de hippocampus, die in de slaapkwab ligt. Dit eiwit zou als marker gebruikt kunnen worden, omdat de zieke zijde van de hippocampus minder GABA-transporters telt dan de gezonde zijde. De uitdaging is om dit zichtbaar te maken. Schijns heeft daartoe een gangbaar epilepsiemedicijn (tiagabine), dat specifiek bindt aan dit eiwit,  gelabeld met jodium-123. De veronderstelling was dat op deze manier op scan-afbeeldingen zichtbaar zou worden waar precies in de hersenen tiagabine zijn heilzame werk doet en welke zijde van de hippocampus minder GABA-transporters heeft. Dit zou een bijdrage leveren aan het nog betrouwbaarder vaststellen van de bron van de epileptische aanvallen. Schijns stelde echter vast dat het radio-actief gemaakte tiagabine de hersenen niet bereikt, omdat het de bloed-hersenbarrière niet weet te passeren. Hoe dat komt, is nog niet duidelijk. Het zoeken is nu naar een stof die wél in de hersenen terechtkomt. Volgens Schijns is dat slechts een kwestie van tijd: “Nooit eerder is er voor dit eiwit een radioligand ontwikkeld, een molecuul waaraan een radioactieve stof is bevestigd. Dat het met onze gelabelde tiagabine niet gelukt is, is natuurlijk jammer, maar betekent niet dat we geen belangrijke stap voorwaarts hebben gezet. De laboratoriummensen zijn er namelijk van overtuigd dat het een kwestie van tijd is totdat er een radioligand voor dit eiwit is ontwikkeld dat de bloed-hersenbarrière wél passeert.”

Relevantie

Nederland telt ongeveer 120.000 mensen met epilepsie. Van hen zijn er ongeveer 25.000 die niet medicinaal behandeld kunnen worden. Voor circa 15.000 patiënten is een neurochirurgische ingreep de enige medische optie. Dan wordt het gedeelte van de hersenen waar de epilepsie ontstaat, bijvoorbeeld in de slaapkwab of de voorhoofdskwab, operatief verwijderd. Daarvoor moet wel eerst exact bepaald worden waar precies de bron van de epileptische aanvallen zit. Momenteel gebeurt dat met name door een EEG-onderzoek met elektroden op het hoofd, maar ook door het plaatsen van elektroden op of in de hersenen. Dat laatste is echter een invasieve methode, dus kleven er per definitie risico’s aan. Het streven is om niet-invasieve onderzoekstechnieken te vinden om dit gebied steeds accurater in beeld te brengen.

Publicaties

Schijns is op 1 juli gepromoveerd aan de Universiteit Maastricht. Het onderzoek dat hij heeft gedaan in het kader van zijn promotie heeft tot verschillende publicaties in wetenschappelijke tijdschriften geleid, zoals Nuclear Medicine Communications, Journal of Chemical Neuroanatomy en Neurosurgery. Het proefschrift van Schijns is getiteld Epilepsy surgery and biomarkers; from history to molecular imaging.