Betere zorg voor kinderen met een slechte start

Een kind dat te vroeg wordt geboren, of anderszins een slechte start heeft, kan daar levenslang last van hebben. Problemen variëren van leer- en concentratiestoornissen en ernstige darminfectie tot hersenverlamming.  Het MUMC+ Kindergeneeskunde laboratorium werkt hard aan een beter toekomstperspectief voor deze kinderen. Drie onderzoekers vertellen erover in het kader van Wereld Prematurendag, 17 november.
Wereld Prematuren Dag_Reint Jellema
Hoe beperk je hersenschade?

Reint Jellema, kinderarts-neonatoloog en onderzoeker

“Ik onderzoek met name de consequenties voor de hersenen wanneer kinderen een moeilijke start hebben, doordat ze te vroeg geboren worden, zuurstofgebrek hadden, of beide. Ik zoek naar nieuwe therapieën die de schade aan de hersenen beperken en probeer schade en herstel in beeld te brengen met MRI. Als je schade kan beperken, voorkom je ontzettend veel problemen later in het leven. Dit kan zich subtiel uiten met milde leer- en aandachtstoornissen, die vaak pas vanaf schoolgaande leeftijd duidelijk worden. Dan blijkt dat de verbindingen in de hersenen niet optimaal zijn aangelegd, wat begrijpelijk is, want bij vroeggeboorte moet de laatste rijping van het brein buiten de baarmoeder plaatsvinden en dat is nooit optimaal. In de zwaardere gevallen is er ook sprake van zuurstofgebrek rond de geboorte en kunnen motorische en ernstigere verstandelijke beperkingen ontstaan. Mijn onderzoek draait veelal om de ontwikkeling van stamceltherapie die we ooit hopen toe te dienen aan prematuren en andere pasgeborenen met een slechte start. We staan eigenlijk op het punt om die methode van het laboratoriummodel naar de mens in de kliniek te vertalen. In het lab zagen we dat bepaalde stamcellen de schade aan zenuwcellen in het brein beperken, ontsteking remmen en de functie verbeteren. Dat is heel hoopvol. In Maastricht kun je als arts relatief makkelijk onderzoek doen, omdat alles dicht bij elkaar zit. Je steekt letterlijk de brug over naar de universiteit. Wat mij betreft is dat een unieke setting waarin ik die twee werelden kan combineren. Ik zeg daarmee niet dat het altijd makkelijk is. In het ziekenhuis is het klinische werk altijd onvoorspelbaar, patiënten gaan nu eenmaal voor en ik heb zelf ook een gezin met kinderen. Maar het maakt me ook trots om te kunnen werken in een multidisciplinair team van artsen, verpleegkundigen en onderzoekers dat tot de wereldtop in dit veld behoort.”

Wereld Prematuren Dag_Stefanie Fonteyn_1
Het lab als leeromgeving

Stefanie Fonteyn, verpleegkundige Neonatologie Intensive Care Unit (NICU)

“Toen een paar enthousiaste artsen vertelden over hun wetenschappelijk onderzoek en het NICU-team uitnodigden voor een rondleiding op het lab, werd ik meteen enthousiast. Onderzoek wordt traditioneel meer door artsen gedaan dan door verpleegkundigen, maar ik heb gevraagd of ik mee zou kunnen doen. Ik zag de meerwaarde voor mijn werk als verpleegkundige. En andersom heb ik kennis en ervaring vanuit het werkveld die op het laboratorium gevraagd wordt. De handelingen van een verpleegkunde zijn voornamelijk gebaseerd op protocollen, die een wetenschappelijke basis hebben. De totstandkoming ervan is normaliter een ‘ver-van-je-bed-show’ voor ons. Ik wilde graag weten hoe nieuwe behandelingen en inzichten tot stand komen. Andersom is het laboratorium een prachtige omgeving om nog meer kennis op te doen, die je weer meeneemt in je dagelijks werk. Ik denk dat dat je een nog competentere verpleegkundige maakt. Het zelfstandig werken daar, zorgt ook voor meer rust en zelfvertrouwen in mijn werk op de NICU. Je wordt uitgedaagd om na te denken vanuit een andere invalshoek en je kritische blik te verruimen. Dat gun ik iedere verpleegkundige. Binnenkort hoop ik een eigen kleine studie op te kunnen zetten in het lab.”

Wereld Prematuren Dag_Tim Wolfs
Oog voor de lange termijn

Tim Wolfs, hoofd laboratorium Kindergeneeskunde

“Het onderzoek in ons lab richt zich op allerlei aspecten van een slechte start in het leven bij kwetsbare en te vroeg geboren kinderen. Naast onder andere stamcelonderzoek is ons lab ook sterk in het kweken van mini-organen, zoals darmen. Deze kleine darmpjes hebben een 3D-structuur, een binnen- en buitenkant en alle receptoren die voedingselementen opnemen. Zo kunnen we bijvoorbeeld onderzoeken welke effecten een aangepast voedingspatroon van de moeder op de darmontwikkeling van het ongeboren kind kan hebben. Ons laboratorium gaat zich de komende jaren ook meer bezighouden met de lange termijneffecten van een slechte start van kinderen. De eerste focus ligt op de ontwikkeling van de longen, hersenen, of het maagdarmstelsel. Maar de helft van de kinderen die bij 32 weken of eerder worden geboren, ontwikkelen hoge bloeddruk voor hun negentiende. Daar is nog niet zoveel aandacht voor in wetenschappelijk onderzoek. In ons lab focussen we niet op één orgaansysteem maar onderzoeken we de te vroeg geborene als één geheel.  We hopen zo onder meer tot ‘risicoprofielen’ te komen, die voorspellen welk kind meer complicaties krijgt en hoe je dat kunt beperken of voorkomen. Die holistische aanpak in combinatie met onze laboratoriummodellen waarbij we een slechte start in ons lab heel nauwkeurig  kunnen nabootsen maakt ons laboratorium vrij uniek in de wereld, met bijbehorende spin off. Neem een studie die onlangs in het ziekenhuis gestart is waarbij we een vruchtwaterinfectie willen opsporen door de uitgeademde lucht van de moeder te analyseren. Een vruchtwaterinfectie is één van de belangrijkste risicofactoren voor een vroeggeboorte. In het labmodel konden we dit heel goed vaststellen. Nu gaan we kijken of dat ook bij mensen toepasbaar is, wat echt een enorme doorbraak zou zijn. Zo’n 95% van het ziektekostenbudget in Nederland gaat naar de zorg voor mensen in de laatste paar jaar van hun leven. Dat is begrijpelijk, maar als je meer zou investeren in het voorkómen van bepaalde problemen, betaalt zich dat ook uit op de langere termijn.”

Het werk binnen het laboratorium Kindergeneeskunde wordt mede gefinancierd door een Europese H2020 subsidie (Premstem project), een consortium-grant van het Longfonds Nederland en een Kolff-grant van de Nierstichting Nederland.

Sluit de enquête