Verhaal | 12 september 2020

‘Van afname tot uitslag de snelste teststraat van Nederland’

Prima samenwerking tussen GGD Zuid-Limburg en laboratorium Medische Microbiologie van het Maastricht UMC+

Overal in het land klinkt frustratie door over het gebrek aan (corona)testcapaciteit en de lange wachttijden voor tests, maar in Zuid-Limburg lijkt de situatie stabiel en onder controle. Dat komt voor een belangrijk deel door de goede samenwerking tussen GGD Limburg Zuid en het laboratorium Medische Microbiologie van het Maastricht UMC+. Prof. dr. Christian Hoebe, hoofd Infectieziektebestrijding van de GGD Zuid-Limburg, en prof. dr. Paul Savelkoul, hoofd afdeling Medische Microbiologie van het Maastricht UMC+, leggen uit hoe dat komt.

Het testen op corona bestaat uit twee stappen. De 25 Nederlandse GGD’en nemen door het hele land met lange wattenstaafjes monsters af uit de keel en de neus, meer precies de nasofarynx (neus-/ keelholte). Die monsters worden vervolgens naar een laboratorium gestuurd om te bepalen of de betroffen persoon wel of niet besmet is met het coronavirus (de analyse). De GGD’en bepalen deels zelf naar welk laboratorium de afgenomen monsters gaan voor die analyse. Dat kan een commercieel laboratorium zijn, maar ook een ziekenhuislab. In de regio Zuid-Limburg heeft de GGD ervoor gekozen het testmateriaal naar het laboratorium (Medische Microbiologie) van het Maastricht UMC+ te sturen. Waarom die keuze? Christian Hoebe: “Vanwege de jarenlange samenwerking op tal van gebieden en de daardoor ontstane goede onderlinge relatie. Zo doen we al jaren in grote hoeveelheden SOA-diagnostiek bij het ziekenhuislab. Op onze SOA-poli zien we jaarlijks zo’n zesduizend, zevenduizend mensen. Het analyseren van die tests gebeurt in het ziekenhuislab van het MUMC+. We doen daarnaast ook samen wetenschappelijk onderzoek.”

Snelheid
Paul Savelkoul vult aan: “Lokaal is beter. Je hebt sneller en gemakkelijker contact. Er zijn kortere doorlooptijden, krijgt sneller dingen bijgesteld. Met een groot Duits lab of een commercieel lab als Sanquin is dat lastiger. De lijn naar Sanquin hebben we overigens wel getest; Sanquin is ons zogenoemde ‘overlooplab’, mochten we het qua aantallen niet meer aankunnen. Als we tegen capaciteitsgrenzen aanlopen, zullen we moeten uitwijken. Maar dat is tot nu toe nog niet nodig geweest. We kunnen het nog steeds aan.” De samenwerking tussen GGD Zuid-Limburg en het laboratorium van het MUMC+ blijkt in de praktijk enorm goed te werken. In de landelijke benchmark bleek Zuid-Limburg onlangs zelfs de snelste teststraat van Nederland te hebben. 99 procent van de tests was binnen 48 uur afgerond, waarvan de meeste patiënten zelfs binnen 24 uur de uitslag hadden. Hoebe: “Dat is dus vanaf het moment dat mensen ons bellen, het inplannen van de test, het daadwerkelijk testen, de analyse in het lab en uitslag, dat hele traject.”

Toch komen er ook signalen van mensen die langer moeten wachten, soms wel vijf dagen, voordat ze getest kunnen worden. Hoebe : “Elders in het land hebben GGD’en aan de max gezeten, maar dat is bij ons nooit aan de hand geweest. Wat we wel constateren, is dat steeds meer mensen zich laten testen en landelijk en ook regionaal de labcapaciteit niet voldoende is om aan de vraag te voldoen. We zijn nog steeds snel, maar de aantallen nemen plotseling sterk toe. We hebben momenteel een vraag van meer dan 1400 mensen per dag, maar we kunnen er maar 1150 doen vanwege beperkingen in labcapaciteit. Die 250 die we dan niet kunnen testen op de dag van de aanvraag, gaan dan naar de dag erna.”

Kwaliteit
Savelkoul en Hoebe hechten allebei aan de kwaliteit van het testen. Savelkoul: "Commerciële laboratoria moeten het hebben van de massa. Bulkproductie. In ons ziekenhuis testen we elke patiënt afzonderlijk. Dat geeft ook de mogelijkheid snel te schakelen en te overleggen met andere zorgverleners, huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde in de zorginstellingen.” Hoebe: “In het verleden zijn andere GGD’en ook wel eens uitgeweken naar een Duits (commercieel) lab. Dat zijn gigantische fabrieken die bulk leveren, maar als je net wat meer wil - en dat is bij infectieziektebestrijding vaker het geval – dan is een academisch lab te verkiezen boven een commercieel lab. Bijvoorbeeld als je iets meer wil weten over het type virus of bacterie.”Een laborant aan het werk in het laboratorium Medische Microbiologie.

Testcapaciteit
Hoe goed de samenwerking ook is, er zijn wel degelijk ook zorgen. Die zorgen betreffen vooral de schaarste aan materialen en middelen, en speelt met name aan de laboratoriumkant. Savelkoul: “In Nederland hebben we geen productie van apparatuur, testkits (reagentia/ kweekmedia) en plastics, zoals buisjes, pipetpuntjes, plastic analyse-platen. Dat komt vooral uit de Verenigde Staten en China, maar wordt maar mondjesmaat geleverd. Net niet genoeg om aan de vraag te voldoen. Andere landen in de EU hebben wel eigen productie van testmateriaal, Duitsland bijvoorbeeld, maar dat krijgen we niet. Ze willen wel onze testen doen. In Nederland stokt het testen bij gebrek aan testkits en apparatuur. Er hoeft maar één schakel te haperen in de hele testprocedureketen, en dan heeft dat meteen effect op de hele procedure. Helaas hebben we momenteel veel zwakke schakels in de keten. Dat speelt van pipetpuntje tot en met apparatuur.” En dan is er nog de zorg over de laboratoriummedewerkers. Enerzijds hebben de analisten al keihard gewerkt vanaf het begin van de crisis en anderzijds is het niet zo makkelijk om personeel snel in werken in de complexe testomgeving. Savelkoul: “We zijn er hard mee bezig om onze eigen mensen te ontlasten. In feite is de hotspot van de crisis binnen het ziekenhuis nu van IC naar laboratorium verschoven. Dat dienen we ons goed te realiseren. Die medewerkers verdienen ook een grote pluim, zeker nu de normale diagnostiek ook weer is opgestart.”

Ook Hoebe voorziet capaciteitsproblemen: “Ook wij hebben nu – hopelijk tijdelijk – een tekort aan testmateriaal. Maar we hebben voldoende personeel om de tests uit te voeren. Voor ons is het wel super balen dat we niet verder door kunnen stijgen met de stijgende vraag. We hebben al geweldig opgeschaald ten opzichte van het begin van de pandemie. We zitten nu op 1150 tests per dag. Voorlopig zouden we met opschaling tot 1400 tests per dag al een heel eind komen. Maar de R is in de maand, er komen meer mensen met respiratoire klachten. Als we ons houden aan de lijn ‘heb je klachten, laat je testen’ dan zullen de aantallen tests snel toenemen. Ik denk dat we in het najaar zullen moeten opschalen naar ongeveer 2500 tests per dag.”

Andere vormen van samenwerking
In de huidige Covid-epidemie beperkt de samenwerking tussen GGD en het laboratorium Medische Microbiologie van het Maastricht UMC+ zich niet tot testen op corona. De partners zijn ook allebei betrokken bij internationaal onderzoek naar de corona-pandemie en naar de verschillen in bestrijding van die pandemie. Hoebe heeft recentelijk een miljoen euro aan Europese subsidie binnengehaald voor een euregionale studie, het Interreg-project genaamd euPrevent COVID-19. Doel van de studie is om te meten waarin de drie betrokken landen (Duitsland, Nederland en België)  verschillen in blootstelling aan het virus, toepassing van de maatregelen en verschillen in antistoffen. Christian Hoebe, kartrekker van het euregionale onderzoek, legt uit: “We doen dat als GGD/ Maastricht UMC+ samen met drie Gesundheitsämter, zeg maar Duitse tegenhangers van onze GGD’en, met Sciensano, het Belgische RIVM, en de stichting euPrevent. In twee rondes gaan we 30.000 mensen uitnodigen om aan de studie deel te nemen. We willen bij hen bloed afnemen voor serologisch onderzoek en hen zal worden gevraagd een vragenlijst in te vullen. En na vier, vijf maanden herhalen we dat. Zo krijgen we een beeld hoe de epidemie zich ontwikkelt.”  

LINK Zorgnetwerk
En de samenwerking gaat verder: GGD en Maastricht UMC+ trekken ook samen op binnen het zogenoemde LINK Zorgnetwerk. (LINK staat voor Limburgs Infectiepreventie en antibiotica zorgNetwerK; https://limburgink.nl/). Binnen dat netwerk zijn huisartsen, zorginstellingen, de GGD en de afdelingen Microbiologie van alle Limburgse ziekenhuizen vertegenwoordigd. Soortgelijke zorgnetwerken zijn in heel Nederland op regionaal niveau ingesteld door het ministerie van VWS om meer zicht te krijgen op de opbouw van antibioticaresistentie (ABR) en voor infectiepreventie. Maar in Limburg wordt dat netwerk nu ook in de covid-epidemie ingezet. Paul Savelkoul: “Er komt heel veel informatie over corona naar buiten, maar het is voor veel zorgprofessionals nauwelijks bij te houden en ze konden nergens met hun vragen terecht. Dat hebben we opgelost door een Whats-appgroep aan te maken, bedoeld voor zorgverleners zoals huisartsen en specialisten Ouderengeneeskunde van de zorginstellingen. Zij kunnen in deze appgroep met al hun vragen terecht. De professionals die in het Link Zorgnetwerk zitten, leveren de antwoorden. We zijn hiermee uniek in Nederland.”

Webinars
GGD en Maastricht UMC+ organiseren via het LINK-zorgnetwerk bovendien webinars voor diezelfde zorgprofessionals. In die webinars wordt up to date uitleg gegeven wat het virus nu in onze regio betekent voor de microbiologische testen, wat het betekent voor de longziekten, voor de behandeling in het ziekenhuis. Die webinars worden gegeven door medisch specialisten uit de regio. 

Door de goede samenwerking binnen het Limburgse medische veld was het ook mogelijk om snel tot regionale afspraken te komen. Zo is er, geïnitieerd door het Regionaal Orgaan Acute Zorgketen (ROAZ), een regionale signaalwaarde ontwikkeld voor een eventuele tweede golf. Savelkoul: “We hebben uitgerekend bij welke waardes wij hier in Limburg spreken over een nieuwe uitbraak van het coronavirus. We hebben drie waardes vastgesteld: het aantal ziekenhuisopnames, het aantal positieve tests en het aantal IC-opnames. Als een van die drie drempels wordt overgeschreden, dan wordt er een groep bij elkaar geroepen en gekeken of dit serieus is of slechts een tijdelijke opleving. Vervolgens wordt beslist over wel of niet opschalen. Natuurlijk is dit soort beslissingen altijd gebaseerd op landelijk beleid, maar omdat de regionale verschillen zo groot zijn bij deze infectieziekte, moeten we het lokaal oppakken. We willen actie ondernemen voordat er een probleem in het ziekenhuis ontstaat. Dat hebben we geleerd van de eerste uitbraak. Volgens mij zijn we ook hier redelijk uniek in.”