Een stijve hartspier, oftewel ‘diastolisch hartfalen’, is moeilijk te herkennen en praktisch niet te behandelen. Een groep Maastrichtse onderzoekers heeft een grote subsidie gekregen om samen met collega’s uit Schotland en Duitsland te onderzoeken wat er op moleculair niveau aan de hand is. De honderden patiënten met deze vorm van hartfalen die al sinds 2015 in het Maastricht UMC+ worden gemonitord, zijn van onschatbare waarde voor dit project. Onderzoeker Judith Cosemans en cardioloog Vanessa van Empel vertellen er graag over.
Diastolisch hartfalen is een variant van hartfalen waarbij de hartspier dikker en stijver is dan normaal. Het hart pompt dan meestal nog wel goed, maar kan zich onvoldoende vullen met bloed. Een ‘stijf hart’ geeft in het begin geen of slechts milde klachten en omdat de pompfunctie dus nog prima is, is het moeilijk de juiste diagnose te stellen. Cardioloog Vanessa van Empel besteedt in het Maastricht UMC+ al een aantal jaren veel aandacht aan deze patiëntengroep. Sinds 2015 brengt ze mensen met diastolisch hartfalen uitgebreid in kaart, door bijvoorbeeld longfunctie, tal van bloedwaarden en de mate van inspanning die iemand nog kan leveren te meten. “Deze holistische aanpak, waarbij we niet alleen op het hart focussen, geeft een veel vollediger beeld en daarnaast volgen we de mensen ook langere tijd. Daardoor weten we ook hoe vaak ze worden opgenomen in het ziekenhuis, met welke klachten en meer.”
Uniek cohort
Ruim zeshonderd patiënten zitten al in dit ‘cohort’, wat uniek is in Nederland, misschien wel in de wereld. “Ik ben ermee begonnen uit interesse. Deze patiënten worden vaak van het kastje naar de muur gestuurd in een ziekenhuis, omdat het zo’n moeilijk te herkennen aandoening is. We hebben ze qua behandeling nog steeds weinig te bieden. Sinds kort is er één pil, een SGLT2 remmer, die ook voor dit soort hartfalen werkt: meer kwaliteit van leven, minder ziekenhuisopnames, maar dat betekent ook dat we nog meer moeite moeten doen om deze speciale vorm van hartfalen te herkennen.”
Ultieme droom, van zowel artsen als wetenschappers, is natuurlijk voorkómen dat mensen hartfalen ontwikkelen. Meer en betere behandelvormen zouden ook fijn zijn. Om dergelijke grote stappen te zetten in de patiëntenzorg, moet je altijd klein beginnen. Heel klein, weet onderzoeker Judith Cosemans. Zij werkt bij de Universiteit Maastricht al jaren aan moleculair onderzoek naar ziektebeelden waarbij bloedplaatjes een rol kunnen spelen.
Deze patiënten worden vaak van het kastje naar de muur gestuurd in een ziekenhuis, omdat het zo’n moeilijk te herkennen aandoening is.
We hopen onze fundamentele vraag beantwoord te krijgen en aangrijpingspunten vinden om in later vervolgonderzoek medicijnen te kunnen ontwikkelen die de bloedplaatjes beteugelen en dus ontsteking remmen
CARIM
Het onderzoek van Cosemans en van Empel gebeurt bij het Cardiovascular Research Institute Maastricht (CARIM), dat onderdeel is van het Maastricht UMC+. CARIM is één van de grootste onderzoeksinstituten van Europa op het gebied van onderzoek naar hart- en vaatziekten. Jaarlijks publiceren onderzoekers van CARIM meer dan 1.000 wetenschappelijke artikelen en ronden er zo'n 60 jonge onderzoekers hun promotietraject af.
Website CARIM
Een soort spons
Dat bloedplaatjes een wondje dichten als je bloedt, weten sommige mensen nog wel. “Daarnaast hebben bloedplaatjes rollen in verschillende organen. We weten nog niet precies hoe ze functioneren in elk orgaansysteem, dat maakt het wat mij betreft zo interessant.” Cosemans beschrijft het bloedplaatje als een soort spons in ons bloed; hij kan van alles opnemen, dat er weer uitkomt als je erin knijpt. “Een plaatje is ook een soort boodschapper in het bloed, als hij niet bezig is met het stollen van wondjes. Hij speelt dan onder andere een rol in ontstekingsprocessen.” Samen met haar collega’s Blanche Schroen en Rory Koenen, denkt Cosemans dat bloedplaatjes ook een rol spelen bij diastolisch hartfalen. “Onze collega’s in Duitsland vonden dat de verhoogde ontsteking de aanmaak van bloedplaatjes kan beïnvloeden. Dat willen we nader onderzoeken in diastolisch hartfalen. Daarnaast weten we dat deze patiënten minder haarvaatjes in het hart hebben dan gezonde mensen, waardoor het hart slechter doorbloed wordt, stijver wordt en moeilijker ontspant. We denken dat bloedplaatjes daarin een belangrijke rol spelen, maar dat willen we verder uitpluizen.”
MegaCardiocyte
De komende vier jaar gaan de cardiologe en de drie onderzoekers vanuit Maastricht samenwerken met collega’s van de Schotse University of Edinburgh en de Duitse Ludwig Maximilian University in München. Hun project, MegaCardiocyte geheten, kreeg bijna anderhalf miljoen euro subsidie van de Nederlandse Hartstichting en de Duitse en Britse evenknie. Dat klinkt als veel geld en een lange periode, maar Judith Cosemans weet uit ervaring dat het altijd een uitdaging is om alle plannen uit te voeren en alle onderzoeksvragen te beantwoorden. “We gaan in Maastricht bloedplaatjes isoleren uit het bloed van patiënten met en zonder diastolisch hartfalen, om te kijken waarin ze verschillen van elkaar. Daarnaast willen we ook stamcelonderzoek doen en we hebben hier proefopstellingen waarmee we kunnen onderzoeken welk effect bloedplaatjes hebben op endotheelcellen, die de ‘bekleding’ vormen van de binnenkant van een bloedvat.” De link tussen universiteit en ziekenhuis op cardiologisch gebied is van oudsher sterk. Ook in dit project kunnen de wetenschappers niks zonder het patiëntencohort van cardioloog Van Empel, die overigens ook meewerkt aan het onderzoek.
Controversieel
Het onderzoeken van het effect van bloedplaatjes op endotheelcellen is best een controversieel onderwerp in de wetenschap, weet Cosemans. “Sommige collega’s geloven niet dat het in de mens een rol speelt en het is ook lastig aan te tonen. Het is al aangetoond in het lab en in proefdieren, maar in de mens hebben we het nog niet kunnen meten. In dit project willen we proberen dat gat op te vullen.” Binnen vier jaar kun je geen grootschalige patiëntenstudie opzetten. “Dat is ook niet de bedoeling. We hopen onze fundamentele vraag beantwoord te krijgen en aangrijpingspunten vinden om in later vervolgonderzoek medicijnen te kunnen ontwikkelen die de bloedplaatjes beteugelen en dus ontsteking remmen.”