In gesprek met Coen Stehouwer

NWAIedere twee weken gaan experts van het Maastricht UMC+ in op één van de vragen die zijn gesteld in het kader van de Nationale Wetenschapsagenda. Deze keer bespreekt  prof. dr. Coen Stehouwer, hoogleraar interne geneeskunde, de volgende vraag:

Hoe ontstaat diabetes type 1 en 2 en hoe kan dit eerder opgespoord worden en vervolgens op individuele basis worden behandeld?

“Diabetes mellitus, of in de volksmond suikerziekte, is een chronische aandoening waarbij glucosewaarden in het bloed verhoogd zijn. Op termijn kan dat nogal wat complicaties met zich meebrengen: van hart- en vaatziekten tot nierfalen, blindheid en zenuwbeschadiging, depressie, schade aan het denkvermogen, etc. Bij een gezond persoon zorgt het enzym insuline, dat in de alvleesklier wordt geproduceerd, voor de opname van glucose in  spiercellen. Bij diabetespatiënten is dat echter verstoord. Medicatie die de werking of de productie van insuline verbetert moet dan uitkomst bieden en/of men moet insuline zélf van buiten toedienen. Het is echter wel belangrijk om te beseffen dat diabetes type 1 eigenlijk een heel andere ziekte is dan diabetes type 2. Beide hebben weliswaar te maken met insulineproblematiek en een verhoogde bloedsuikerspiegel, maar waar type 1 diabetes een ziekte is die meestal op jonge leeftijd al begint, staat de ander beter bekend als een leefstijlziekte die je gedurende het leven ontwikkelt. Laten we daarom voor het gemak deze twee vormen van diabetes even uit elkaar halen.

Coen StehouwerDiabetes type 1 is een vrij zeldzame aandoening die je als patiënt een heel leven met je meedraagt. De aandoening is een zogeheten auto-immuunziekte, dat wil zeggen dat het lichaam een afweerreactie heeft tegen lichaamseigen cellen. In dit geval tegen de zogeheten bètacellen die in de alvleesklier insuline aanmaken. Doordat deze cellen letterlijk kapot worden gemaakt kan ook geen insuline meer worden geproduceerd. De gevoeligheid voor het krijgen van die afweerreactie is voornamelijk erfelijk bepaald, maar allerlei niet-erfelijke factoren spelen ook een rol. Zo is de kans om type 1 diabetes te krijgen bij een kind dat een broertje of zusje heeft met de ziekte, ongeveer vier procent. Een individuele voorspelling van wie de ziekte krijgt is eigenlijk nauwelijks te maken. Alleen voor mensen met een eerstegraadsfamilielid met diabetes type 1 kan het volgens recente inzichten wél, middels een test op specifieke antilichamen. Een andere vraag is of je dat dan wel zou moeten willen doen. Een behandeling die dan het ontstaan van type 1 diabetes voorkomt is namelijk nog niet voorhanden. Recente ontwikkelingen in de behandeling gaan vooral over het optimaliseren van de toediening van insuline. Denk bijvoorbeeld aan een geavanceerde insulinepomp met een ingebouwde glucosemeter. Het pompje spuit automatisch insuline in wanneer de bloedsuikerspiegel omhoog gaat en het lichaam er dus behoefte aan heeft. Er wordt wel uitgebreid geprobeerd immuuntherapie toe te passen om te voorkomen dat bètacellen worden vernietigd. Tot op heden is dat echter nog niet heel erg succesvol gebleken.

Maastricht StudieBij diabetes type 2 liggen de kaarten iets anders.De ziekte komt om te beginnen al veel vaker voor (rond acht procent van de bevolking, en dat neemt snel toe). Bij deze vorm werken de bètacellen in principe nog wel, maar is het lichaam ongevoelig voor de werking van insuline en wordt relatief te weinig van het enzym aangemaakt. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door vetzucht en te weinig beweging, maar ook lucht- en milieuvervuiling kunnen een invloed hebben. Hier speelt een erfelijke component overigens een voorname rol. Die bepaalt in feite wie van de mensen met vetzucht en weinig lichaamsbeweging diabetes krijgt en wie niet. Wil je het eigen risico op diabetes type 2 bepalen, dan moet je jezelf eigenlijk twee dingen afvragen. Eén: Heb ik overgewicht? En twee: komt de ziekte in de familie voor? Is het antwoord twee keer ‘ja’, dan heb je grote kans (zo’n vijftig procent) ooit diabetes te ontwikkelen. Is het antwoord twee keer nee, dan is het risico vrijwel nul. In tegenstelling tot diabetes type 1, zijn er bij diabetes type 2 echter wel voldoende mogelijkheden om de ziekte te voorkomen en advies te geven op een individueel niveau. Zo proberen we in De Maastricht Studie met geavanceerde beweegmeters bijvoorbeeld  te achterhalen of we een persoonlijk beweegadvies kunnen geven. De veelgehoorde richtlijn dat je vijf keer per week een half uur moet bewegen hoeft namelijk helemaal niet voor iedereen te kloppen. We proberen in ons onderzoek de achterliggende processen van diabetes type 2 beter te begrijpen, zodat we betere aanknopingspunten voor preventie kunnen vinden. En dat doen we door alle mogelijke oorzaken en gevolgen te onderzoeken van beweging en voeding tot erfelijkheid en omgevingsfactoren.”

Meer weten over diabetes?


Op donderdag 12 november vindt in het Maastricht UMC+ de ‘Dag van de Chronisch Zieke’ plaats. Er is dan speciaal aandacht voor diverse chronische ziekten, waaronder ook diabetes. 

De Maastricht Studie is een omvangrijk onderzoek onder duizenden mensen in de regio Maastricht-Heuvelland naar de oorzaken en gevolgen van diabetes type 2. Prof. dr. Coen Stehouwer is de wetenschappelijk directeur van het onderzoek.

Zelf het risico op diabetes type 2 bepalen? Dat kan eenvoudig via een online vragenlijst. Een voorbeeld daarvan is de risicometer van Diabetes UK (Engelstalig). Een bloedtest kan definitief uitsluitsel geven.

Meer algemene informatie is te vinden via:
- Diabetesvereniging Nederland
- Hartstichting
 
Wetenschappelijk onderzoek naar diabetes steunen kan via:
- Diabetesfonds