Kan nieuwe CT wat MRI kan?
Een revolutionair nieuw type CT-scanner, waarvan het Maastricht UMC+ er ook één heeft, kan gedetailleerder dan ooit verschillende weefseltypes in het lichaam afbeelden. Dat kan voor meerdere situaties en patiënten een alternatief bieden ten opzichte van de huidige aanpak. Cardioloog Martijn Smulders en radioloog Casper Mihl gaan dat, samen met een promovenda, uitzoeken.
Wat gaan jullie onderzoeken?
Smulders: “Een scan van het hart om een hartinfarct af te beelden, maken we tot nu toe met een MRI-scanner. Dat is de gouden standaard. Maar zo’n opname duurt al gauw een uur en sommige mensen durven niet die ‘tunnel’ in, of mógen er absoluut niet in, door metalen objecten in het lichaam. En waar de MRI de gouden standaard is voor het aantonen van littekenweefsel, kan een MRI de details van bloedvaten weer niet zo mooi afbeelden als een CT-scanner.”
Mihl: “De nieuwe CT-scanner werkt volgens een techniek die ‘photon counting’ heet en is technisch een enorme verandering. Kort gezegd komt het erop neer dat de interactie van de verschillende fotonen individueel kan worden geregistreerd en de energie hierbij kan worden gemeten. Dit zorgt ervoor dat je veel meer onderscheid kunt maken tussen de verschillende weefsels in het lichaam. Dat is belangrijk, omdat je soms kunt zien dat iemand een vernauwde kransslagader heeft, maar wil je daarnaast weten of de hartspier schade heeft opgelopen door deze vernauwing: is er bijvoorbeeld littekenweefsel, oftewel een hartinfarct ontstaan? Dat verwachten we met deze scanner te kunnen laten zien.”
Smulders: “In dat geval heb je dus nog maar één scan nodig, in plaats van zowel een MRI- als een CT-scan. Je kunt met die ene CT-scan zowel het hart als de bloedvaten nauwkeurig in beeld brengen én je hebt een alternatief voor mensen die niet in een MRI-scanner kunnen.”
Mihl: “Door in één scan zowel de kransslagader te beoordelen als het littekenweefsel bij een doorgemaakt hartinfarct, hopen we net zoveel vragen te kunnen beantwoorden als wanneer de patiënt een CT-scan en een MRI-scan krijgt. Mensen met een heel slecht functionerend hart kun je niet een uur rustig in een scanner laten liggen. Ze zijn vaak heel kortademig, het hart pompt heel slecht, ze kunnen niet lang een diepe inademing vasthouden om goede beelden te krijgen. Een enkele kort durende CT-scan zou een heel elegante oplossing kunnen zijn.”
Hoe gaan jullie dat onderzoeken?
Smulders: “We gaan in totaal ongeveer zestig patiënten onderzoeken met de nieuwe scanner, verdeeld over drie groepen.”
Mihl: “Door eerst een MRI-scan te maken en daarna een CT-scan, kunnen we de beelden goed vergelijken. Je kunt zo relatief snel vaststellen of deze CT vergelijkbare of zelfs betere antwoorden geeft op de vraagstelling of er littekenweefsel in het hart aanwezig is.”
Smulders: “De eerste groep patiënten die we onderzoeken heeft een groot hartinfarct gehad, waardoor er in het hart een uitgebreid litteken te zien zal zijn. De afwijkingen op de scans zullen duidelijk te zien zijn, waardoor dit een goede populatie is om onze scantechniek en analyse nog verder te verbeteren. De tweede groep bestaat uit mensen met boezemfibrilleren die hier in Maastricht behandeld worden met een ‘ablatie’. Bij deze behandeling wordt bewust een litteken op het hart wordt aangebracht, zodat de prikkels die het boezemfibrilleren veroorzaken, worden geblokkeerd. Bij een gedeelte van die mensen komt de ziekte terug; blijkbaar is het litteken daar niet compleet genoeg en worden niet alle prikkels geblokkeerd. We willen onderzoeken of we middels de CT-scanner deze littekens in beeld kunnen brengen en eventueel zelfs een incompleet litteken als oorzaak voor het terugkeren van het boezemfibrilleren kunnen detecteren. En tot slot is er een derde groep mensen die een slecht functionerend hart heeft, waarbij we weten niet precies waarom. Dat is een erg ingewikkelde puzzel en vereist vaak diverse onderzoeken. Wij willen kijken of we met 1 enkele CT-scan de diagnose correct kunnen stellen.”
Wanneer verwachten jullie dat de patiënt in het ziekenhuis hiervan de vruchten plukt?
Mihl: “In vier jaar gaan we heel ver komen. Omdat we alle beelden van de nieuwe CT-scanner vergelijken met de gouden standaard van de MRI, kunnen we snel meters maken, als ze dezelfde informatie blijken te geven. Dan is de nieuwe techniek feitelijk gevalideerd. Daarvoor zijn zestig patiënten in eerste instantie voldoende. Wetenschappelijk onderzoek duurt vaak lang omdat het vinden van voldoende patiënten veel tijd kost. Daarom kiezen wij voor een kleinere groep waarmee we toch onze vragen kunnen beantwoorden. In vervolgstudies kun je dan het onderzoek verder verbreden en valideren.”
Smulders: “Mijn collega’s kennende: als hier positieve resultaten uit komen, zullen ze dat meteen willen toepassen, bijvoorbeeld voor mensen die de MRI niet in kunnen. Daarnaast hebben we goede hulp om het onderzoek een vliegende start te geven met onze promovenda die we dankzij het Academisch Fonds hebben aangenomen: Marie-Julie Lemmens.”
Casper Mihl studeerde geneeskunde in Maastricht en promoveerde in 2016. Hij werkt als radioloog in het MUMC+, met een speciale focus on cardiovasculaire en abdominale diagnostiek. Daarnaast is hij het coördinerend hoofd van de CT afdeling.
Ook Martijn Smulders studeerde geneeskunde in Maastricht. Hij promoveerde in 2020 en werkt als cardiolog in Maastricht UMC+. Zijn aandachtsgebied is non-invasieve cardiovasculaire beeldvorming (cardiale MRI, CT en echo).
Doen jullie vaker samen wetenschappelijk onderzoek?
Mihl: “We kennen elkaar al vijftien jaar en trekken heel vaak samen op. Dit soort onderzoek is zoveel leuker en werkt beter als je het samen doet. Daarbij leer ik veel van hem. Ik zou het niet anders willen.”
Smulders: “Dat is andersom ook zo. We vullen elkaar aan omdat we met een andere invalshoek, ontstaan vanuit een andere specialisatie, naar hetzelfde probleem kijken. In ons dagdagelijks klinisch werk beoordelen we ook samen MRI- en CT-scans; beide namen staan onder het verslag, dat zie je niet zo vaak in andere centra. We werken dus al voor een aanzienlijk deel in de kliniek samen en we doen ook praktisch al ons onderzoek samen. De meerwaarde van een net iets andere kijk, maakt het een heel krachtige combinatie.”
Waarom doen jullie dit onderzoek juist in Maastricht?
Smulders: “Het MUMC+ was afgelopen zomer het tweede Nederlandse ziekenhuis met dit nieuwe type CT-scanner, dus dat is het eerste antwoord op die vraag. Maar het bevalt ons heel goed hier. De sfeer op de afdeling en tussen de afdelingen is goed, wat energie geeft die je gaande houdt.”
Mihl: “De ruimte die we krijgen, ook om dit soort projecten uit te voeren, is heel fijn hier, naast de fijne woonomgeving. We hebben allebei ook een gezinsleven, en vrienden, en sport, maar praktisch iedere avond hebben we nog wel even contact.”
Dus de combinatie van ziekenhuis, onderzoek en onderwijs is voor jullie goed te doen?
Mihl: “Misschien is het juist die combinatie die het voor mij doet.”
Smulders: “Voor mij net zo. Het geeft veel voldoening als mensen echt geholpen zijn met een behandeling of diagnose, maar ook om wetenschappelijk vraagstellingen in teamverband bereiken. Cardiologie is een vrij snel vak, je kunt patiënten vaak vrij snel goed behandelen. Onderzoek daarentegen is een meerjarentraject, met veel dipjes. Als je dan uiteindelijk resultaten krijgt, geeft dat extra veel voldoening en vieren we samen onze successen.”
Mihl: “Onderzoek is vallen en opstaan. Maar elke keer als je valt, ben je weer een stapje verder. Ik zou het leuk vinden als we ooit kunnen zeggen dat we met onderzoek de diagnostiek voor patiënten hebben verbeterd. Daar gaan we voor.”