Tranen van wetenschappelijk geluk

Met het door Marlies Gijs opgezette traanvochtonderzoek verricht zij baanbrekend werk. Traanvochtonderzoek is booming.  Zeker ook als vervanging voor soms pijnlijke en risicovolle invasieve onderzoeksmethoden. En als een wezenlijke schakel in neurologisch onderzoek met daarin een hoofdrol voor de tranen van alzheimerpatiënten. “Tranen zijn aaibaar. Ze komen voor in liedjes, in poëzie en in films. En ze blijken bruikbaar in de biochemische analyse bijvoorbeeld op het gebied van alzheimeronderzoek.”

Krokodillentranen

Krokodillentranen bestaan niet”, lacht de onderzoekster naar traanvocht. Marlies Gijs antwoordt op de vraag of huilen en het daarmee gepaard gaande plengen van tranen een exclusieve menselijke activiteit is. “Dieren hebben wel traanvocht, maar ze huilen niet zoals mensen. Ze hebben traanklieren. Maar of die in contact staan met hun emoties weten we niet zeker.  Wat we daarentegen zeker weten is dat traanvocht met de daarin opgenomen stoffen in toenemende mate aan belang wint in zowel diagnostisch onderzoek als in het voorspellen van ziektes bij mensen. Wij onderzoeken ‘basale’ tranen en niet tranen van verdriet of plezier. Emoties behoren tot het wetenschappelijke domein van de psychologie of tot de belevenissen van ons dagelijks leven.”

Voor Gijs zijn tranen dagelijkse kost. Niet alleen wetenschappelijk als biochemica, maar ook als moeder van drie jonge kinderen moet ze regelmatig met een zakdoekje kindertranen wegvegen. “Tranen associëren we niet met andere lichaamsvochten. Zoals urine die vergeleken met traanvocht in een kwadere geur staat. Tranen zijn lieflijk. Maar het is en blijft op de keper beschouwd gewoon een excrement dat ons oog beschermt. Het is water, enzymen en eiwitten die door cellen worden gemaakt. Traanvocht beschermt onze ogen tegen invloeden van buitenaf (denk maar aan virussen) en ruimt schadelijke stoffen op. Tranen behoeden het hoornvlies dat het enige deel van het lichaam is dat niet beschermd wordt door huid. Het belang van tranen mogen we dus niet onderschatten. Het is een vloeibaar transport- en afweermiddel.”

Marlies Gijs

Marlies Gijs, universitair docent aan de Universitaire Oogkliniek Maastricht, behaalde een master in Biochemie en Biotechnologie aan de Universiteit Antwerpen en promoveerde in 2015 in de Farmaceutische en Biomedische Wetenschappen aan de Universiteit van Luik. Haar postdoctoraal onderzoek aan de Universitaire Oogkliniek Maastricht omvatte de ontwikkeling van een nieuw apparaat voor medicijnafgifte voor het oog. In 2019 werd ze universitair hoofddocent (assistent-professor) Moleculaire Oogheelkunde. Haar onderzoek richt zich op de fundamentele en translationele eigenschappen van traanvocht en het oogoppervlak.

Oog met Marlies Gijs

Oogheelkunde

De in het Kempense Dessel wonende onderzoekster was niet voorbestemd om de wetenschap in te gaan. “Thuis hadden we een boomkwekerij. Mijn twee broers zijn het bedrijf ingegaan, maar ik was niet zo geïnteresseerd in planten. Mij boeide als enige in mijn familie de medische wereld. Op mijn achttiende ging ik farmacie studeren in Leuven. Grappig was dat mijn eerste blok bij farmacie ging over geneeskrachtige planten. Samen met mijn vader ben ik toen nog in het bos op zoek gegaan naar deze planten.” “Door de jaren heen kwam ik steeds meer in de ban van de biochemie. Ik raakte getriggerd door cellen en moleculen. Uiteindelijk ben ik in 2015 in Luik, zoals we dat in Vlaanderen zeggen, ‘gedoktoreerd’. Ik promoveerde op kankeronderzoek en deed onderzoek met proefdieren. Na een sollicitatie kwam ik als postdoc in Maastricht in het MUMC+ terecht bij Oogheelkunde. Voor een biochemicus maakt het ziektebeeld niet veel uit. We werken op moleculair niveau. We willen weten wat er gebeurt in de cel. Je moet enkel weten hoe je goed onderzoek doet.”

Traanvocht-biomarkers

Gijs was al in eerder onderzoek met traanvocht in aanraking gekomen, maar in Maastricht kreeg ze de kans om het groot op te zetten. “Onderzoek naar traanvocht biomarkers (stofjes die wijzen op een bepaalde aandoening) was niet nieuw, maar het gebeurde weinig. Dankzij moderne technieken is het steeds gemakkelijker geworden om uit extreem kleine staalvolumes traanvocht diagnoses te kunnen stellen. Van bloed heb je bijvoorbeeld veel grotere volumes nodig." Het onderzoek van Gijs beperkt zich niet enkel tot de oogheelkunde. Ook in de neurowetenschappen bewijst het traanvochtonderzoek haar belang. “Tijdens covid heb ik veel traanmonsters afgenomen bij Covid-patiënten. We zagen meteen dat het virus zich ook daarin bevond. Je ziet dus dat traanvocht breed ingezet kan worden. Daar zijn in de toekomst zeker nog meer toepassingen bij te bedenken. Bij neurologisch onderzoek bijvoorbeeld kan traanvocht een vervanger zijn voor het moeizaam te verkrijgen hersenvocht. Ogen zijn in feite uitstulpingen van de hersenen, dus ogen zeggen ook wel iets over de ziektes van de hersenen. Ons traanonderzoek heeft twee stofjes (biomarkers) – amyloid en tau –aangetoond die bij Alzheimer voorkomen en die normaal gesproken enkel via een ruggenprik kunnen worden bepaald.” Voor dit onderzoek ontving Gijs een NWO Veni fellowship in 2019.  

Netwerk

Er zit muziek in dit onderzoek. Niet alleen is traanvocht gemakkelijk te verkrijgen en breed toepasbaar, het maakt ook mogelijk dat in de toekomst onderzoek naar ziekten veel sneller en effectiever kan worden uitgevoerd. Ook zijn er businesstoepassingen denkbaar waarin er diagnostische stripjes op de markt komen – vergelijkbaar met een zwangerschapstest – die met een druppel traanvocht uitsluitsel over een bepaalde therapie kunnen geven. Het Tear Research Network, opgericht door Gijs, gaat door met het onderzoek naar en de toepasbaarheid van die stripjes. “We werken in een internationaal veld waardoor we kennis blijven uitwisselen. Het onderzoek biedt met het oog op de toekomst veel perspectieven.” Lachend: “Je zou er tranen van in je ogen kunnen krijgen, maar dan wel tranen van geluk.”

Dit verhaal is eerder gepubliceerd in UMagazine
Tekst: Ludo Diels 
 

Sluit de enquête